Wat leren de nieuwste onderzoeken ons over de inrichting van een bij-vriendelijk landschap? En hoe kunnen groene maatregelen daarbij helpen? Samen met onderzoeksprogramma Kennisimpuls Bestuivers bieden we daarover een online kennisbijeenkomst aan.
Beeld: © Hulp voor bestuivers
Groene maatregelen voor een rijk bijenlandschap
Wanneer?
Deze bijeenkomst plannen we zo snel mogelijk na de zomervakantie. Houd onze kanalen in de gaten voor de laatste update!
Wat kun je verwachten?
Kennisimpuls Bestuivers selecteerde voor ons de meest recente onderzoeken en vertelt over de nieuwste inzichten. De focus in deze bijeenkomst ligt op het leefgebied van bestuivers en welke maatregelen je daarvoor in het landschap kunt nemen:
- Habitat en Landschap. Hoeveel en welk type leefgebied is nodig. Hoe moet het landschap eruitzien? Hoe moet je het landschap inrichten?
- Beheer en Maatregelen. Wat werkt in de praktijk en is ook effectief?
Rondom deze thema’s zijn een aantal nieuwe wetenschappelijke rapporten verschenen. Deze vormen de achtergrond van de kennisbijeenkomst.
We sluiten af met een toelichting op 2 tools van Kennisimpuls Bestuivers. De nieuwste is ‘Groene maatregelen voor een rijk bijenlandschap’. Met deze tool zie je snel welke groene maatregelen bij welk type gebied passen. En welke koppeling er is met de ecoprofielen voor bestuivers. Elk ecoprofiel staat voor een groep soorten bestuivers met vergelijkbare eisen aan hun leefomgeving.
Daarnaast komt ook de tool 'Terreingericht advies' aan bod. Hoe maak je op jouw locatie en soort terrein een bed & breakfast voor bestuivers? Vul je postcode in en de tool geeft jou een gericht advies. Je vindt deze en andere tools op de website Hulp voor bestuivers.
Onderzoeken in het kort
We geven je hieronder een korte samenvatting van elk artikel. Wil je het hele onderzoek lezen? Klik dan op de link onder de samenvatting. De meeste rapporten zijn geschreven in het Engels.
Habitat & Landschap
Bestuivers hebben veel meer leefgebied nodig dan in de EU-biodiversiteitsstrategie staat. Dit blijkt uit een meta-analyse van 59 studies uit 19 landen. Tegen 2030 streeft de EU naar 10% natuurlijke elementen in het agrarisch landschap. Maar voor effectieve bescherming van bestuivers blijkt dat deze drempelwaardes hoger liggen.
Solitaire bijen hebben minstens 16% nodig, hommels 18% en vlinders zelfs 37%. Alleen zweefvliegen vallen onder het EU-doel. Zij hebben een drempelwaarde van 6% halfnatuurlijk habitat nodig om hun populaties effectief te beschermen.
Het onderzoek benadrukt ook dat kwaliteit minstens zo belangrijk is als de kwantiteit. Een gevarieerd en bloemrijk landschap versterkt populaties meer dan alleen het vergroten van oppervlakte. Het voorgestelde raamwerk kan beleidsmakers helpen om gerichter habitatdoelen te formuleren. En is ook toepasbaar op andere soortgroepen.
Recent onderzoek toont aan dat lokale landschapselementen een belangrijke rol spelen in het herstel van vliegende insecten in landbouwgebieden. Denk aan heggen en bloemstroken. In een meerjarige veldstudie werd de vliegende insectenbiomassa gemeten met Malaisevallen. Hierbij is rekening gehouden met weersomstandigheden op de insectenactiviteit en vangstefficiëntie in de data-analyses.
Het blijkt dat vooral heggen effectief zijn in gedeeltelijk herstelde landbouwgebieden. Locaties met heggen bevatten meer dan 2 keer zoveel vliegende insectenbiomassa als locaties zonder vergelijkbare landschapselementen.
Bloemenstroken laten ook een positief effect zien, al is dit minder sterk uitgesproken. Dit hangt mogelijk samen met het jaarlijkse ploegen en opnieuw inzaaien. Daardoor zijn deze stroken minder stabiel dan heggen.
Het onderzoek benadrukt dat kleinschalige, lokale maatregelen kunnen bijdragen aan de ondersteuning van insecten in agrarische landschappen. Zoals de genoemde landschapselementen.
Bekijk het rapport op de Engelstalige website ScienceDirect van Elsevier.
Herstelmaatregelen voor wilde bijenpopulaties in het boerenlandschap en in halfnatuurlijke gebieden versterken elkaar. Dat tonen de resultaten van deze studie aan.
In landbouwgebieden zorgen de maatregelen voor een duidelijke toename in aantallen wilde bijen en de soortenrijkdom. Hoewel de dichtheden in verhouding laag blijven. In halfnatuurlijke habitats zijn de toenames door herstelmaatregelen minder sterk dan in agrarisch gebied. Maar komen er in de uitgangssituatie hogere aantallen en meer soorten wilde bijen voor.
Binnen agrarische landschappen functioneren deze halfnatuurlijke gebieden als waardevolle
kerngebieden. Een gevarieerd mozaïek van bij-vriendelijk beheerde landbouw- en halfnatuurlijke gebieden kan zowel habitatconnectiviteit als een continuïteit aan bloemaanbod bevorderen.
Het is daarom van belang om in te zetten op het herstel van wilde bijenpopulaties in zowel agrarische landschappen als in halfnatuurlijke habitats.
Bekijk het rapport in het eDepot van Wageningen University & Research.
Een hogere gewasdiversiteit in het agrarische landschap versterkt bestuivers en verhoogt de opbrengst van bestuivingsafhankelijke gewassen. Een wereldwijde meta-analyse van 101 studies toont dat aan.
Naast gewasdiversiteit is ook de landschapscompositie van groot belang. Hogere landschapsheterogeniteit zorgt voor een positief effect op de soortenrijkdom van bestuivers. Denk aan kleinere percelen, overgangszones in het landschap (‘edge density’) en de aanwezigheid van halfnatuurlijke elementen. Dit heeft ook een positief effect op de productie van insectbestoven gewassen.
Deze bevindingen benadrukken het belang om landschappelijke heterogeniteit via gewasdiversiteit en natuurlijke habitats te stimuleren en te behouden. Om zo bestuivers en hun ecosysteemdiensten te ondersteunen.
Bekijk het rapport op de Engelstalige website ScienceDirect.
Zonneparken hebben een hogere plantendiversiteit dan intensief beheerde graslanden. De bloembeschikbaarheid en de soortenrijkdom van vaatplanten zijn bovendien vergelijkbaar met die van extensief beheerde graslanden. Dit zijn voordelen voor wilde bijen en zweefvliegen.
Daarbij lagen hun aantallen en diversiteit op een vergelijkbaar niveau als in extensief beheerde graslanden. Deze resultaten komen uit een vergelijkingsstudie tussen zonneparken en intensief en extensief beheerde landbouwgraslanden.
Daarmee bieden zonneparken kansen voor bestuivers. Zij presteren daar beter dan in intensief beheerde graslanden. En hun gemeenschapscompositie laat overeenkomsten zien met extensief beheerde gebieden.
Bekijk het rapport op de Engelstalige website British Ecological Society.
Beheer & maatregelen
Deze studie evalueert de ecologische effectiviteit van een landschapsbrede, samenwerkende natuurbeschermingsaanpak, gericht op wilde bijen. Uit de studie blijkt dat in bij-vriendelijk beheerde gebieden wilde bijenpopulaties in aantallen en soortenrijkdom waren toegenomen.
Daarvoor zijn trends op bij-vriendelijk beheerde locaties in Zuid-Limburg vergeleken met conventioneel beheerde controlelocaties. Het ging daarbij om trends in aantallen en soortenrijkdom van wilde bijen en om de bodemdiversiteit en bedekking.
Alle maatregelen waren gericht op het bevorderen van bloemaanbod en bloeicontinuïteit tijdens het bloeiseizoen. Maar de mate van effectiviteit tussen de onderzochte habitattypen verschilde.
Succesfactoren waren:
- goede communicatie tussen betrokken partijen
- deelname van beheerpartners
- voortdurende monitoring van zowel de uitvoering als de ecologische uitkomsten
Bekijk het rapport op de Engelstalige website Science Direct.
Maaibeheer is van groot belang voor de diversiteit van geleedpotigen. Recent onderzoek naar maaibeheer in Nederlandse wegbermen laat dit zien.
De studie vergelijkt verschillende maaibeheertypes, variërend in maaihoogte, periode en frequentie. Daaruit is gebleken dat effecten per soortgroep verschillen en sterk samenhangen met de productiviteit van het grasland.
Voor laagproductieve graslanden lijkt één maaibeurt aan het einde van de herfst het meest geschikte maaibeheer. Daarnaast kan het ecologisch waardevol zijn om delen van bermen tijdens het jaar helemaal ongemaaid te laten.
Voor productieve graslanden wordt een beheer met 2 maaibeurten per jaar aanbevolen: een eerste maaibeurt eind juni en een tweede maaibeurt in de late herfst. Dit benadrukt het belang van gebiedsspecifiek maaibeheer van wegbermen.
Bekijk het rapport op de Engelstalige website British Ecological Society.
Onderzoek laat zien dat het effect van bloemstroken en extensief beheerde graslanden op wilde bijenpopulaties elkaar versterken in het agrarisch landschap. Landschappen waar beide maatregelen samen worden toegepast, hebben hogere aantallen en een grotere soortenrijkdom van wilde bijen dan gebieden met slechts één type maatregel.
Dit blijkt dus een krachtiger en robuuster effect te hebben om bijenpopulaties te bevorderen dan afzonderlijke maatregelen.
Bekijk het rapport op de Engelstalige website ScienceDirect.